Filosofie en simulatie.
Posted: March 29, 2012 Filed under: Uncategorized | Tags: affect, emergentie, Manuel DeLanda, simulatie Leave a comment »“Philosophy and Simulation” van Manuel DeLanda, uitgegeven bij Continuum (2011) is een fascinerend boek over affectie en emergentie.
Ter verduidelijking, we spreken hier niet over affectie in de zin van genegenheid of liefkozing, maar wel in de betekenis van aandoening of beïnvloeding. Affectie is de capaciteit om te affecteren en geaffecteerd te worden door anderen. Deze zin kan dus even goed gelezen worden als affectie is de capaciteit om te beïnvloeden en beïnvloed of aangedaan te worden. In het woordenboek vinden we dezelfde definitie terug.
Het affect speelt ook een belangrijke rol in het denken van Gilles Deleuze, de grote inspirator van Manuel DeLanda. Affectie is in “Philosophy and Simulation” een organon, of filosofisch werktuig, voor een non-reductieve en emergente Theorie van alles. DeLanda start zijn onderzoek met de eenvoudigste fysische processen en eindigt met de dageraad van beschaving en weet dit alles elegant te verwerken in zijn emergentietheorie.
Emergentie is dus, naast affect, een centraal begrip in het boek. Wat is emergentie? Emergentie is de ontwikkeling van complexe georganiseerde systemen, die bepaalde eigenschappen vertonen die niet zichtbaar zijn door een reductie van hun delen. Een emergente eigenschap is een eigenschap die optreedt of wordt waargenomen wanneer men van niveau verandert, bijvoorbeeld van atomair niveau naar menselijk visueel niveau. Aan de hand van het gedrag van één mier kan men bijvoorbeeld niet afleiden hoe een mierenkolonie georganiseerd is.
DeLanda leidt zijn boek in met de bespreking van het begrip emergentie doorheen de geschiedenis. De epistemologische status is vandaag gewijzigd vergeleken met de kijk op emergentie aan het begin van de Twintigste Eeuw. Aanvankelijk geloofden filosofen dat emergente effecten niet konden verklaard worden en dus aanvaard moesten worden als brute feiten. De verdere ontwikkeling van de wetenschappen wijzigde de situatie. De droom dat er simpele wetten bestaan die ageren als zelfevidente waarheden (axioma’s) waaruit alle causale effecten kunnen gededuceerd worden verdween als sneeuw voor de zon. Wetenschappelijke verklaring is nu een creatieve poging om de mechanismes die een gegeven effect produceren bloot te leggen, en niet een logische operatie. Epistemologisch dient emergentie dus niet meer beschouwd te worden als een bruut feit, integendeel kan het verklaard worden zonder dat we moeten vrezen dat we het verschijnsel zullen wegverklaren. De ontologische status van emergentie is steeds dezelfde gebleven: het refereert naar iets dat objectief onreduceerbaar is. Maar de vraag is nu welke entiteiten deze ontologische onreduceerbaarheid ten toon spreiden. Oorspronkelijk dacht men aan “Leven” of “Geest”. Nu weten we dat dat enkel abstracte veralgemeningen zijn, geen legitieme bewoners van de objectieve realiteit.
Delanda start met de eenvoudigste emergente eigenschappen, zoals temperatuur en druk. Deze zijn onreduceerbaar omdat ze het resultaat zijn van een objectief gemiddeld proces dat spontaan plaats vindt in moleculaire populaties, bijvoorbeeld een vat water.
In de achtereenvolgende hoofdstukken van “Philosophy and Simulation” gaat Delanda op zoek naar verschillende types van gesimuleerde interacties op volgende achtereenvolgende niveaus: chemisch, biologisch en sociaal.
Een beknopt overzicht van de opeenvolgende hoofdstukken:
1. The Storm in the Computer
2. Cellular Automata and Patterns of Flow
3. Artificial Chemistries and the Prebiotic Soup
4. Genetic Algorithms and the Prebiotic Soup
5. Genetic Algorithms and Ancient Organisms
6. Neural Nets and Insect Intelligence
7. Neural Nets and Mammalian Memory
8. Multiagents and Primate Strategies
9. Multiagents and Stone Age Economics
10. Multiagents and Primitive Language
11. Multiagents and Archaic States
In een appendix legt Delanda een link met Assemblage Theorie. In een volgende blog zal deze link hier verder worden uitgewerkt.
Verschil en herhaling
Posted: March 15, 2012 Filed under: Deleuze, filosofie, immanentie, Uncategorized | Tags: gilles deleuze, herhaling, representatie, verschil Leave a comment »Werknota’s bij Gilles Deleuzes “Verschil en Herhaling”.Origineel verscheen in Parijs, 1968. Nederlandse vertaling door Joost Beerten en Walter van der Star verscheen bij Uitgeverij Boom, Amsterdam 2011.
Deleuze ontwikkelt de noties verschil en herhaling binnen een project met zowel een negatieve als een positieve component. Het negatieve of “kritische” aspect bestaat uit de argumentatie dat filosofie lijdt aan een “transcendentale illusie”, die systematisch de concepten verschil en herhaling onderwerpt aan dat van de identiteit, meestal binnen wat Deleuze aanduidt met het “regime van de representatie”. Dit deel van Deleuze’s project bestaat eruit om deze illusie bloot te leggen.
Het positieve component van Deleuze’s project is het doel dat toegekend wordt aan de filosofie. Dat doel is nauwkeurigheid, de dingen grijpen in hun uiterste “ditheid”. Wanneer we willen dat de filosofie een positieve en directe relatie heeft met dingen, dan moeten het de dingen in zichzelf begrijpen, voor wat ze zijn, in zijn verschil van alles wat het niet is.
Invloed van Nietzsche: De eeuwige terugkeer van een verschil. Elke herhalingsbeweging is doortrokken van differentie.
Invloed van Bergson: évolution créatrice
Invloed van Spinoza: de immanente werkelijkheid
Over het beeld van het denken (Hoofdstuk III):
“Het probleem van het begin is in de filosofie terecht altijd als een hachelijke kwestie beschouwd. Want beginnen betekent alle vooronderstellingen uit de weg ruimen. Maar terwijl men in de wetenschap te maken heeft met objectieve vooronderstellingen die uit de weg kunnen worden geruimd door een strenge axiomatiek, zijn filosofische vooronderstellingen zowel subjectief als objectief. Concepten die expliciet door een gegeven concept worden verondersteld, noemt men objectieve veronderstellingen.” (Verschil en herhaling, p169).
Verschil is de primaire eigenschap van wat er ook bestaat. Verschil gaat vooraf aan identiteit. Identiteit is slechts een functie van hoe we de realiteit benoemen en representeren, door het definiëren van merktekens van identificatie en differentiatie. Verschil is niet afhankelijk van deze onderscheidende merktekens daar het een kenmerk is van de realiteit en niet van onze greep van de werkelijkheid. (Deleuze, Reidar Due, p. 27 – 28).
http://www.angelfire.com/md2/timewarp/deleuze.html
Het neo-materialisme van Manuel DeLanda
Posted: February 6, 2012 Filed under: filosofie, immanentie, Uncategorized | Tags: Assemblage Theorie, Manuel DeLanda, neo-materialisme Leave a comment »Gilles Deleuze beweerde in een interview dat de moderne wetenschap nog op zoek is naar de metafysica die ze nodig heeft. Regelmatig zien we in de media, bijvoorbeeld hier, debatten opduiken die de werking en status van wetenschappen als onderwerp hebben en daarbij lopen de emoties meestal hoger op dan de kwaliteit van de argumenten. Zou dit een gevolg kunnen zijn van het punt dat Gilles Deleuze maakte? Manuel de Landa ziet zijn eigen werk als een bijdrage aan die metafysica waar de moderne wetenschap behoefte aan heeft. Hier wil ik een overzicht bieden van het werk van Manuel De Landa.
Voor een geannoteerde bibliografie van Manuel De Landa: klik hier.
In het interview ‘The Metaphysics of Science’ laat De Landa optekenen dat in een Deleuziaanse metafysica de notie “wet”, zoals in de eeuwige en onveranderlijke wetten van de wetenschap, het belangrijkste is waar we moeten zien van af te geraken. Het concept “wet” is een theologisch fossiel uit de tijd wanneer wetenschappers geloofden in het bestaan van de bijbelse God. Waar “wetten” naar refereren zijn immanente patronen van zijn en worden. In Mille Plateaux stelt Deleuze voor om wetten te vervangen door de concepten “singulariteiten” en “affecten”.
Om dit beter te begrijpen is het nuttig om te kijken naar de metafysische fundamenten van de filosofie van Gilles Deleuze. In de inleiding van Intensive Science and Virtual Philosophy legt DeLanda uit hoe Deleuze behoort tot het kamp van de realisten. Deleuze neemt aan dat er een werkelijkheid bestaat onafhankelijk van onze geesten. De werkelijkheid wordt met andere woorden volledige autonomie toegekend, los van de menselijke geest, of het nu gaat om het waarneembare of het niet-waarneembare. Let erop dat Deleuze hierin duidelijk verschilt van de postmoderne filosofieën die aan de basis, gewoonlijk, non-realistisch blijven.
Als realistisch filosoof verschilt Gilles Deleuze echter grondig met andere realisten wanneer het over de inhoud gaat van de werkelijkheid. Deleuze verwerpt verschillende entiteiten die in het gewone realisme voor lief genomen worden. Het meest voor de hand liggende voorbeeld is dat van de essentie.
Manuel DeLanda valt doorheen zijn oeuvre, geïnspireerd door de filosofie van Gilles Deleuze, de strakke scheidslijnen aan tussen ‘cultuur’ en ‘natuur’, ‘leven’ en ‘niet-leven’ en andere barricades tussen rigide concepten die gebaseerd zijn in het transcendente denken. Niet alleen zijn boeken en artikelen blinken uit in helderheid, empirie en scherpe argumentatie, maar ook zijn lezingen, die wijdverspreid te vinden zijn op het internet. Zo biedt het youtubekanaal van European Graduate School een reeks lezingen die Professor Manuel DeLanda er gaf in het kader van zijn Gilles Deleuze leerstoel van Hedendaagse Filosofie en Wetenschappen aan het EGS, sinds 2006.
Deze lezing is er een uit 2004, voor Tate Modern, met als titel ‘Nature, Space, Society’.
Door zijn historiserende kijk op de complexe werkelijkheid biedt De Landa nieuwe perspectieven op de vaak als problematisch ervaren verhouding tussen de samenleving en zijn instituten. Voor wie zich engageert in sociale verbetering biedt het werk van Manuel DeLanda, gebaseerd op de assemblage theorie van Deleuze, een degelijk kader dat hier nader kan besproken worden. Tegelijk vinden we ook kritische noten, zoals deze recensie van ‘A New Philosophy of Society’ (2006) door Steven Shaviro.
Hier een interview met Manuel DeLanda, vooral over architectuur.
Deleuziaans Filosofisch Webbrein
Posted: February 6, 2012 Filed under: Deleuze, filosofie, immanentie | Tags: gilles deleuze, rhizome Leave a comment »Een handige rhizomatische databank voor concepten, boeken, artikelen, video’s,… van en over de filosofie van Gilles Deleuze.
Voorlopig werkt het embedden niet. Volg voorlopig deze link.
Objectivisme en materialistische metafysica
Posted: February 3, 2012 Filed under: Uncategorized | Tags: Ayn Rand, filosofie, Manuel DeLanda, Objectivisme, Speculatief Realisme Leave a comment »Studie van de Objectivistische filosofie van Ayn Rand. De Prezi ‘Objectivisme’ is gebaseerd op een inleiding tot het Objectivisme gepresenteerd door Leonard Peikoff. Een kritische invraagstelling van het Objectivisme kan gebeuren vanuit het essay ‘Materialist Metaphysics’ van Manuel De Landa, terug te vinden in zijn boek ‘Deleuze – History and Science’ (2010). De Landa, één van de grondleggers van het nieuwe materialisme, werkt dit essay verder uit in zijn lezing “Metaphysics and Ontology: Aristotle and Deleuze’s Realism’ (2011) voor EGS. Ook het speculatief realisme kan een vruchtbare insteek zijn om het Objectivsme te bevragen naar zijn toepasbaarheid. Hiervoor kan onder meer het werk van Quentin Meillassoux geraadpleegd worden.
Geluid-worden
Posted: June 2, 2011 Filed under: Uncategorized | Tags: filosofie, geluid-worden, gilles deleuze, Nietzsche 3 Comments »Om mijn denken te bevrijden word ik geluid; becoming-sound, devenir-son.
Hierbij laat ik me inspireren door het boek ‘Nietzsche et la philosophie’ van Gilles Deleuze. De eerste 16 tracks, die gebaseerd zijn op de 16 hoofdstukken van het eerste deel van het boek, ‘Le tragique’, kunt u hier beluisteren:
Momenteel ben ik bezig aan het tweede deel: ‘Actif et réactif’. Dit deel zal uiteindelijk 15 tracks tellen, gebaseerd op de 15 hoofdstukken van ‘Actif et réactif’.
U kunt het project hier volgen op Facebook.
Op naar hogere dimensies!
Posted: February 22, 2011 Filed under: filosofie, kunst, wetenschappen | Tags: filosofie, kunst, wetenschappen 1 Comment »Op zaterdag 19 februari 2011, om 11u00, gaf Philip Van Loocke een lezing in Galerie Pascal Janssens in het kader van de expositie van zijn werk, ‘Een actueel perspectief op hogere dimensies’, lopend van 29.01.2011 t.e.m. 05.03.2011. De lezing had als titel ‘Tijd en bestaan : van wetenschap naar kunst’.
Hier geef ik een samenvatting van de lezing, die ongeveer anderhalf uur duurde. Het is een neerslag op basis van de nota’s die ik nam tijdens de lezing.
Philip Van Loocke leidde zijn uiteenzetting in met het beschrijven van zijn kunst als metafysische kunst. Zijn kunst is naar zijn eigen zeggen een geëngageerde kunst, met diepgang. Dit stelt de kunstenaar tegenover de postmoderne kunst die hij als oppervlakkig bestempelt. Over welk type van metafysica gaat het in zijn werk? Het betreft hier de introductie van bijkomende dimensies. Dit sluit ook aan op de titel van de tentoonstelling: ‘Een actueel perspectief op hogere dimensies’.
Het concept van deze hogere dimensies sluit aan bij onze huidige wetenschappelijke kosmologie. Wonderbaarlijk genoeg sluit deze hedendaagse kosmologie aan bij enkele oeroude mythes. Bij deze bijkomende of hogere dimensies dienen ook enkele vragen gesteld te werden over hun plaats in ons wereldbeeld en hun existentiële lading. Ook hoe die kunnen resoneren in onze beeldtaal houdt de kunstenaar-filosoof bezig.
Om welk wereldbeeld gaat het hier? Om die vraag te beantwoorden te geven schets Philip Van Loocke de historiek van ons huidige wereldbeeld. Hij neemt daarvoor als beginpunt de fysica van Newton, een vereniging van de ontdekkingen van Kepler en Galilei. Newton kwam met zijn fysica wel voor een paar problemen te staan wanneer hij die wilde toepassen op het bovenmaanse. Zo ging zijn fysica niet op voor de sterren. Wanneer voorwerpen aangetrokken worden door de zwaartekracht, waarom zien we dan geen implosie van het heelal, waarom zien we geen voortdurende botsende sterren? Als verklaring zag Newton een interventionisme van God. Newton was namelijk een religieus persoon, en dat op een curieuse wijze die nogal doet denken aan het profetisme van Nostradamus. Newton was ook begeesterd door de alchemie. Daardoor kwam hij tot een ander verklaringsmodel dan het mechanicisme van bijvoorbeeld Descartes. De alchemische interesses van Newton hielpen hem om zijn model van aantrekking van planeten opstellen, tegenover het model van de botsende planeten en sterren. De theorie van Newton moest in zijn tijd de strijd aangaan met concurrerende bedenksels, zoals dat van Euler, maar na een aanvaardingstijd van ongeveer 70 jaar brak Newtons fysica door als leidende theorie.
Het probleem van de niet-botsende sterren bleef echter bestaan en het was Albert Einstein die een nieuwe doorbraak forceerde. Einstein formuleerde de ruimte-tijd, als een vierdimensioneel geheel. Nadat Einstein op de proppen kwam met zijn algemene relativiteitstheorie bracht hij in 1917 een oplossing aan voor het probleem van Newton door te stellen dat ons universum een 3D-rand is van een 4D-bol. Dit model werkt echter niet, sterren zullen zich in dit model nog steeds aantrekken, wat uiteindelijk weer zou leiden tot een imploderend universum. Om dit te verhelpen voorzag Einstein zijn 4D-bol van een inwendige druk. Later zou Einstein toegeven dit de grootste blunder was uit zijn carrière was. We kunnen hem die fout vergeven door er rekening mee te houden dat er dan nog geen sprake was van de Hubble-waarneming. Deze waarneming uit de jaren ’30 leerde ons dat we in een uitdijend heelal vertoeven. Het model van Einstein ging nog uit van een statisch universum.
Er kwamen ter vervaning van dit statische model een kosmische constantes die slaan op een fysisch fenomeen: overal in de ruimte bevindt er zich energie. Daarbij werd het concept van de ‘donkere energie’ geïntroduceerd, een vorm van energie die verantwoordelijk is voor de steeds snellere uitdijing van het heelal. In dit model komen niet alleen de sterren steeds verder van elkaar te staan, maar ook alle moleculen in ons heelal verwijderen zich steeds verder van elkaar. Dit proces zal zich oneindig voortzetten waardoor we uiteindelijk komen tot een toestand waarbij het universum niks anders is dan een oneindige leegte.
Een universum dat absoluut leeg is zou natuurlijk niet levensvatbaar zijn. Die levensvatbaarheid is dan ook betrekkelijk, op kosmologisch vlak is de periode van organisch leven niks anders dan een zucht. Na de Big Bang is het leven niet direct mogelijk, eerst moeten er zich een aantal processen van zelforganisatie afspelen. Zo zijn bij een eerstegeneratiester geen levensvormen zoals wij die kennen mogelijk. Enkel bij een derdegeneratiester is er mogelijks sprake van leven. Enkel bij een supernova kunnen atomen gevormd worden die zwaarder zijn dan ijzer. Maar er is nog meer vereist voor een levensvatbaar universum. We hebben nood aan onze vier natuurkundige krachten: zwaartekracht, elektromagnetische kracht, sterke kernkracht en zwakke kernkracht.
Zo kwamen natuurkundigen tot het inzicht van de fijnafstemming van het universum. De zwakke en de sterke kernkracht zijn blijkbaar danig precies afgesteld dat wanneer ze iets zwakker of sterker zouden zijn, organisch leven, op koolstof gebaseerd, niet mogelijk zou zijn. Zo zijn er nog een aantal meevallers op te sommen. De donkere energie, ontdekt in 1958, bijvoorbeeld, en de quantumfluctuaties in het vacuüm, die onderhevig zijn aan het onzekerheidsbeginsel. De vacuümenergie of nulpuntsenergie is een ander voorbeeld. Een belangrijke vraag voortvloeiend uit deze fijnafstemming is hoe we die kunnen verklaren. Eén bepaalde benadering is op zoek gaan naar verklaringen die een externe intelligentie inroepen. Een andere benadering is de weg van de huidige kosmologie: de inflatiekosmologie. Ik vermeld hier graag ook dat ik zelf ooit een nummer schreef met als titel ‘Zero point’, waarvoor ik inspiratie haalde bij het concept van de nulpuntenergie.
Vanaf de jaren ’80 kwamen veel problemen aan de oppervlakte voor de klassieke Big Bang-kosmologie. Dit model zegt niet wat Bang deed en waarom, en wat ging er aan vooraf? De deeltjesfysica combineren met de BB-kosmologie leidde tot het inflatiemodel. Hier vertrekt men van de quantummechanica die uitwijst dat fluctuaties af en toe aanleiding kunnen geven tot het ontstaan van een universum. Het universum dat ontstaat bij het BB-model leidt tot een eilanduniversum of een Hubble-volume. Het inflatiemodel zegt dat melkwegen ontstaan door uitvergroting van quantumfluctuaties. Het onzekerheidsbeginsel binnen de quantummechanica verklaart dan zowel het bestaan van het elektron en de grote structuren van het universum. Deze twee modellen leiden tot enkele opmerkelijke verschillen. Wanneer we de algemene relativiteitsleer consequent toepassen, dan zien we een groot verschil tussen de waarnemer in het fluctuatievacuüm en de waarnemer in het eilanduniversum. Wij bevinden ons in het laatste geval en zien dan de Big Bang zich voordoen op één moment, ongeveer 13,8 miljard jaar geleden. Het eilanduniversum is dan wel oneindig groot. In het fluctuatievacuüm blijft de Big Bang aanhoudend bestaan in een uitdijende bubble. In het fluctuatievacuüm kunnen we daarom spreken van oneindige tijd. In het eilanduniversum kunnen we spreken van oneindige ruimte. In het laatste geval is het universum maar een zucht lang levensvatbaar. In het fluctuatievacuüm is het universum oneindig lang levensvatbaar.
We kunnen een analogie maken met het leven op Aarde. Er zijn een aantal toevalstreffers voor het leven op Aarde, zoals afstand tot de zon, Jupiter die ons beschermt tegen kometen, de Maan die zorgt voor een stabiel klimaat, enzovoort. Waarom is het toch geen mirakel dat er leven is op Aarde? Omdat er zoveel planeten zijn in ons universum, in onze melkweg, in ons Hubble-volume. Deze zelfde redering gaat op voor de oplossing van de inflatiekosmologie, het is geen mirakel dat we in een levensvatbaar universum leven, omdat er zoveel universa bestaan. De kosmologie van nu is een veelwereldeninterpretatie. Deze interpretatie is werd voor het eerst geponeerd door Hugh Everett. Een leuk tussendoortje waar Philip Van Loocke hier op wees is dat E, de zanger en oprichter van Eels, de zoon is van Hugh Everett. Een andere belangrijke referentie die hier vermeldenswaard is, is David Deutsch. Daarbij verwijs ik hierzelf graag naar zijn boek ‘The Fabric of Reality’ (1997) dat ik ooit, op aanraden van Philip Van Loocke, met heel veel plezier las.
In de loop van de jaren negentig kwam de snaartheorie tot stand. Dit model van de werkelijkheid, dat 10 dimensies kent is compatibel met de quantummechanica en was een mooie stap naar een unificatietheorie. Ondertussen werd de snaartheorie vervangen door de M-braantheorie, die zich afspeelt in 11 dimensies. Het feit dat deze theorieën de inflatiekosmologie in grote lijnen intact laten is alvast veelbelovend. In de toekomst zal uitgemaakt kunnen worden of het inflatiemodel of het model dat uitgaat van een cyclisch universum en een Big bang juist is.
Niet alleen de 1D-structuur van een snaar, maar ook 2D en 3D trillen in de hogere dimensies. Het is in deze context dat we het grafisch werk van Philip Van Loocke kunnen kaderen. De 2D-foto’s van bijvoorbeeld de kathedraal van Ieper laat Philip Van Loocke met behulp van wiskundige modellen, krachtige software en krachtige computers trillen in hogere dimensies. Het resultaat daarvan projecteert hij terug op een 2D-vlak. Dit resulteert in zijn originele composities. Op deze wijze maakt hij de hogere dimensies van de huidige kosmologie zichtbaar.
Philip Van Loocke wijst ook op de eigenaardigheid dat eeuwenoude Indische mythes een beeld scheppen dat gelijkaardig is aan dat van de cyclische universa. Zo wordt het universum aldaar gedroomd door Brahman en rest er aan het einde van de droom niks dan de leegte. Ook de thematiek van de oneindigheid kan teruggevonden worden in de Indische mythologie. Zo is er het voorbeeld van de parels van Indra. In de parels die elkaar weerspiegelen ontspruiten er werelden van oneindig detail.
Hier legt Philip Van Loocke een link met zijn eigen sculpturen. Door de weerspiegelingen in zijn sculpturen ontstaat met een beperkt aantal elementen een beeld van oneindigheid. Met een krachtige telelens en een lange sluitertijd maakt hij deze oneindigheid aanschouwelijk in foto’s. Deze foto’s hebben ook nog affiniteit met andere mythes, bijvoorbeeld de Kaballah van Luria uit de 16de eeuw.
Philip Van Loocke besluit zijn lezing met te stellen dat hogere dimensies integreren in de kunst op zich niet zo nieuw is. Zo liet Picasso zich inspireren door 4D-meetkunde bij het ontwikkelen van het kubisme. Ook Roger Penrose is bezig met het integreren van hogere dimensies in de kunst. Volgens Philip Van Loocke maakt metafysische kunst opgang en zal dat ten koste zijn van de oppervlakkige postmoderne kunst.
Na het geven van zijn leven kreeg Philip Van Loocke een terecht warm applaus van het aanwezige publiek. Vooral de menselijk taal waarvan de kunstenaar-filosoof zijn aanhoorders voorzag om dit hooggegrepen onderwerp in de belangstelling te brengen vond ikzelf kortom knap. Ook de manier waarop hij als kunstenaar en wijsgeer een wisselwerking belichaamt tussen filosofie, wetenschappen en kunst zonder hoogdraverig te doen vind ik echt bewonderenswaardig. Dat filosofie, wetenschappen en kunst net de drie modaliteiten van het denken zijn die Gilles Deleuze en Félix Guattari onderscheiden in ‘Qu’est-ce que la philosophie?’ (1991) vind ik voor mezelf ook een boeiend gegeven. Ik voelde na de lezing naast intellectuele genoegdoening ook een bevrijdend effect. De huidige kosmologie geeft ons niet enkel veel boeiends te bieden op het vlak van wetenschappelijke kennis, maar ook op het gebied van zingeving en verbeelding. De hedendaagse stand van zaken toont dat ons eigen bestaan niet is wat het lijkt. Stilstaan bij de oneindigheid van tijd en ruimte, het bestaan van hogere dimensies en multiversa, een mens kan er moeilijk onbewogen bij blijven. Dat bleek ook uit de vragen die na de lezing enthousiast afgevuurd werden uit het publiek, maar waar helaas iets te weinig tijd voor uitgetrokken werd.
Ik stelde zelf de vraag naar een immanent zelforganiserend principe of het bestaan van ons geordend universum te verklaren. Indien men niet kiest voor een verklaring die uitgaat van een externe intelligentie of een transcendente god, is er hier mijn inziens nood aan. Philip Van Loocke verwijst me hieromtrent door naar hoofdstuk 7 van zijn boek “Het Wereldbeeld van de Wetenschap. In dit hoofdstuk over de hedendaagse kosmologie komt de theoretisch natuurkundige Lee Smolin aan bod. Smolin beschouwt het universum als een levend organisme, onderworpen aan de wetten van de evolutietheorie. De kosmos plant zich in zijn theorie voort via zwarte gaten. Dit vind ik een heel interessante theorie, waarin een kosmologische ecologie onderhevig is aan een zelforganiserend principe. Philip Van Loocke wijst er echter op in zijn boek dat deze theorie nogal wat aandacht oogst in de populaire media, maar dat ze nogal wat vragen over de creatie van universa in de zwarte gaten onbeantwoord laat.
Een kritische kanttekening vind ik hier op zijn plaats bij de kritiek die Philip Van Loocke uitte tijdens zijn inleiding en besluit op de postmoderne kunst, als zou die per definitie oppervlakkig zijn. Mijn eerste vraag is hierbij vooral hoe Philip Van Loocke postmodernisme en postmoderne kunst definieert. Postmoderne kunst lijkt me een containerbegrip dat beter de mijden valt. Ik vermoed dat Philip Van Loocke tot zijn stelling komt door alles wat hij als oppervlakkige hedendaagse kunst beschouwt te catalogeren als postmodern. Zo kom je in een cirkelredenering terecht in de trant van: deze hedendaagse kunst is oppervlakkig, dus postmodern, dus postmoderne kunst is oppervlakkig. Ik hoop hier in de toekomst nog een reactie over te krijgen van de kunstenaar-filosoof zelf.
Een verdere uitdagende vraag die we ons kunnen stellen is in welke mate de kunst van Philip Van Loocke zelf niet te catalogiseren valt onder postmodern, wat volgens mij niks te maken heeft met oppervlakkigheid. Zo viel het mij op dat de galerijhouder Pascal Janssens zowel in zijn uitnodiging van de tentoonstelling als in de inleiding van de lezing van de kunstenaar refereert naar Robert Smithson, een kunstenaar die geboekstaafd staat als postmodern bij uitstek. Door zijn spiegeltechnieken betracht Smithson een subject-object-overlapping die inderdaad te herkennen valt in de sculpturen van Philip Van Loocke, een typisch postmodern thema.
Ik besluit graag met de tentoonstelling die nog loopt tot 5 maart 2011 in het centrum van Gent te tippen als een uitdagende artistieke ontdekkingstocht. Ook het boek van Philip Van Loocke, “Het Wereldbeeld van de Wetenschap” (2009) vind ik een aanrader voor wie houdt van een intellectuele uitdaging.

