Een nieuwe samenlevingsfilosofie.

In “A New Philosophy of Society” (Continuum, 2006) introduceert Manuel DeLanda zijn hoogst originele kijk op de complexiteit van het samenleven. Zijn nieuwe benadering van de sociale ontologie kan gelabeld worden als ‘realistisch’. Dit standpunt wordt gewoonlijk gedefinieerd als een geloof in het bestaan van de realiteit onafhankelijk van de geest. Een realistische benadering van de sociale ontologie moet dus de autonomie van sociale entiteiten vaststellen los van de concepten die we er over hebben. DeLanda gelooft dat hij daar in slaagt door terug te grijpen naar een typisch Deleuziaanse benadering, de theorie van de assemblages.

Een minimale definitie van “assemblage”: een geheel met eigenschappen die zowel niet-reduceerbaar als immanent zijn.
De eigenschappen van een assemblage zijn niet-reduceerbaar omdat terwijl ze emergeren uit de actuele interactie van zijn delen, ze niet kunnen toegeschreven worden aan om het even welk van zijn delen. En ze zijn immanent omdat als de componenten van de assemblage ophouden te interageren de eigenschappen ophouden te bestaan. Emergente eigenschappen kunnen niet afhankelijk zijn van een specifieke interactie, of een verbinding met materie, maar ze vragen wel dat er een connectie bestaat met materie. (DeLanda, Deleuze – History and Science, p.85).

De assemblagetheorie van Gilles Deleuze was bedoeld om toe te passen op een brede waaier van gehelen opgebouwd uit heterogene delen. Entiteiten variërend van atomen en molecules to biologische organismes, soorten en ecosystemen kunnen benaderd worden als assemblages en daardoor ook als entiteiten die het product zijn van historische processen. Deleuze had namelijk veel oog voor de processen die de historische identiteit van een assemblage creëren en stabiliseren. Dat vraagt er natuurlijk wel om dat men de term ‘historisch’ ook gebruikt in kosmologische en evolutionaire zin en niet enkel in de zin van menselijke geschiedenis. Maar belangrijk is dat de assemblagetheorie ook toegepast kan worden op sociale entiteiten. En het feit dat de theorie zich niets aantrekt van de natuur-cultuur scheiding pleit voor het realistische ervan.

1. Assemblages tegenover Totaliteiten.

De belangrijkste kenmerken van de assemblagetheorie samengevat:
- assemblages zijn opgebouwd uit delen die op zichzelf bestaan en gekarakteriseerd door uitwendige relaties. Zo kan een deel losgekoppeld worden en een component worden van een andere assemblage.
- Assemblages worden gekarakteriseerd volgens twee dimensies:
1ste dimensie: de variabele rollen die componenten kunnen spelen, van een puur materiële tot een puur expressieve, of een mix van de twee
2de dimensie: de processen waarin de componenten betrokken zijn: processen die de identiteit van de assemblage stabiliseren of destabiliseren (territorialisatie en deterritorialisatie).
In zijn variatie van de assemblagetheorie voegt DeLanda nog een derde dimensie toe: processen waarin gespecialiseerde expressieve media tussenkomen, processen die de identiteit van de assemblage consolideren en verstevigen of, integendeel, de assemblage meer flexibel laten opereren, profiterend van genetische of linguïstische hulpmiddelen (coderen en decoderen).
Al deze processen zijn periodiek, en hun variabele herhaling vat de de volledige bevolking van assemblages.

2. Assemblages tegenover Essenties

3. Personen en Netwerken

4. Organisaties en Regeringen

5. Steden en Naties


Filosofie en simulatie.

“Philosophy and Simulation” van Manuel DeLanda, uitgegeven bij Continuum (2011) is een fascinerend boek over affectie en emergentie.

Ter verduidelijking, we spreken hier niet over affectie in de zin van genegenheid of liefkozing, maar wel in de betekenis van aandoening of beïnvloeding. Affectie is de capaciteit om te affecteren en geaffecteerd te worden door anderen. Deze zin kan dus even goed gelezen worden als affectie is de capaciteit om te beïnvloeden en beïnvloed of aangedaan te worden. In het woordenboek vinden we dezelfde definitie terug.

Het affect speelt ook een belangrijke rol in het denken van Gilles Deleuze, de grote inspirator van Manuel DeLanda. Affectie is in “Philosophy and Simulation” een organon, of filosofisch werktuig, voor een non-reductieve en emergente Theorie van alles. DeLanda start zijn onderzoek met de eenvoudigste fysische processen en eindigt met de dageraad van beschaving en weet dit alles elegant te verwerken in zijn emergentietheorie.

Emergentie is dus, naast affect, een centraal begrip in het boek. Wat is emergentie? Emergentie is de ontwikkeling van complexe georganiseerde systemen, die bepaalde eigenschappen vertonen die niet zichtbaar zijn door een reductie van hun delen. Een emergente eigenschap is een eigenschap die optreedt of wordt waargenomen wanneer men van niveau verandert, bijvoorbeeld van atomair niveau naar menselijk visueel niveau. Aan de hand van het gedrag van één mier kan men bijvoorbeeld niet afleiden hoe een mierenkolonie georganiseerd is.

DeLanda leidt zijn boek in met de bespreking van het begrip emergentie doorheen de geschiedenis. De epistemologische status is vandaag gewijzigd vergeleken met de kijk op emergentie aan het begin van de Twintigste Eeuw. Aanvankelijk geloofden filosofen dat emergente effecten niet konden verklaard worden en dus aanvaard moesten worden als brute feiten. De verdere ontwikkeling van de wetenschappen wijzigde de situatie. De droom dat er simpele wetten bestaan die ageren als zelfevidente waarheden (axioma’s) waaruit alle causale effecten kunnen gededuceerd worden verdween als sneeuw voor de zon. Wetenschappelijke verklaring is nu een creatieve poging om de mechanismes die een gegeven effect produceren bloot te leggen, en niet een logische operatie. Epistemologisch dient emergentie dus niet meer beschouwd te worden als een bruut feit, integendeel kan het verklaard worden zonder dat we moeten vrezen dat we het verschijnsel zullen wegverklaren. De ontologische status van emergentie is steeds dezelfde gebleven: het refereert naar iets dat objectief onreduceerbaar is. Maar de vraag is nu welke entiteiten deze ontologische onreduceerbaarheid ten toon spreiden. Oorspronkelijk dacht men aan “Leven” of “Geest”. Nu weten we dat dat enkel abstracte veralgemeningen zijn, geen legitieme bewoners van de objectieve realiteit.

Delanda start met de eenvoudigste emergente eigenschappen, zoals temperatuur en druk. Deze zijn onreduceerbaar omdat ze het resultaat zijn van een objectief gemiddeld proces dat spontaan plaats vindt in moleculaire populaties, bijvoorbeeld een vat water.

In de achtereenvolgende hoofdstukken van “Philosophy and Simulation” gaat Delanda op zoek naar verschillende types van gesimuleerde interacties op volgende achtereenvolgende niveaus: chemisch, biologisch en sociaal.
Een beknopt overzicht van de opeenvolgende hoofdstukken:

1. The Storm in the Computer
2. Cellular Automata and Patterns of Flow
3. Artificial Chemistries and the Prebiotic Soup
4. Genetic Algorithms and the Prebiotic Soup
5. Genetic Algorithms and Ancient Organisms
6. Neural Nets and Insect Intelligence
7. Neural Nets and Mammalian Memory
8. Multiagents and Primate Strategies
9. Multiagents and Stone Age Economics
10. Multiagents and Primitive Language
11. Multiagents and Archaic States

In een appendix legt Delanda een link met Assemblage Theorie. In een volgende blog zal deze link hier verder worden uitgewerkt.


Verschil en herhaling

Werknota’s bij Gilles Deleuzes “Verschil en Herhaling”.Origineel verscheen in Parijs, 1968. Nederlandse vertaling door Joost Beerten en Walter van der Star verscheen bij Uitgeverij Boom, Amsterdam 2011.

Deleuze ontwikkelt de noties verschil en herhaling binnen een project met zowel een negatieve als een positieve component. Het negatieve of “kritische” aspect bestaat uit de argumentatie dat filosofie lijdt aan een “transcendentale illusie”, die systematisch de concepten verschil en herhaling onderwerpt aan dat van de identiteit, meestal binnen wat Deleuze aanduidt met het “regime van de representatie”. Dit deel van Deleuze’s project bestaat eruit om deze illusie bloot te leggen.
Het positieve component van Deleuze’s project is het doel dat toegekend wordt aan de filosofie. Dat doel is nauwkeurigheid, de dingen grijpen in hun uiterste “ditheid”. Wanneer we willen dat de filosofie een positieve en directe relatie heeft met dingen, dan moeten het de dingen in zichzelf begrijpen, voor wat ze zijn, in zijn verschil van alles wat het niet is.

Invloed van Nietzsche: De eeuwige terugkeer van een verschil. Elke herhalingsbeweging is doortrokken van differentie.
Invloed van Bergson: évolution créatrice
Invloed van Spinoza: de immanente werkelijkheid

Over het beeld van het denken (Hoofdstuk III):

“Het probleem van het begin is in de filosofie terecht altijd als een hachelijke kwestie beschouwd. Want beginnen betekent alle vooronderstellingen uit de weg ruimen. Maar terwijl men in de wetenschap te maken heeft met objectieve vooronderstellingen die uit de weg kunnen worden geruimd door een strenge axiomatiek, zijn filosofische vooronderstellingen zowel subjectief als objectief. Concepten die expliciet door een gegeven concept worden verondersteld, noemt men objectieve veronderstellingen.” (Verschil en herhaling, p169).

Verschil is de primaire eigenschap van wat er ook bestaat. Verschil gaat vooraf aan identiteit. Identiteit is slechts een functie van hoe we de realiteit benoemen en representeren, door het definiëren van merktekens van identificatie en differentiatie. Verschil is niet afhankelijk van deze onderscheidende merktekens daar het een kenmerk is van de realiteit en niet van onze greep van de werkelijkheid. (Deleuze, Reidar Due, p. 27 – 28).

http://www.angelfire.com/md2/timewarp/deleuze.html


Het neo-materialisme van Manuel DeLanda

Gilles Deleuze beweerde in een interview dat de moderne wetenschap nog op zoek is naar de metafysica die ze nodig heeft. Regelmatig zien we in de media, bijvoorbeeld hier, debatten opduiken die de werking en status van wetenschappen als onderwerp hebben en daarbij lopen de emoties meestal hoger op dan de kwaliteit van de argumenten. Zou dit een gevolg kunnen zijn van het punt dat Gilles Deleuze maakte? Manuel de Landa ziet zijn eigen werk als een bijdrage aan die metafysica waar de moderne wetenschap behoefte aan heeft. Hier wil ik een overzicht bieden van het werk van Manuel De Landa.

Voor een geannoteerde bibliografie van Manuel De Landa: klik hier.

In het interview ‘The Metaphysics of Science’ laat De Landa optekenen dat in een Deleuziaanse metafysica de notie “wet”, zoals in de eeuwige en onveranderlijke wetten van de wetenschap, het belangrijkste is waar we moeten zien van af te geraken. Het concept “wet” is een theologisch fossiel uit de tijd wanneer wetenschappers geloofden in het bestaan van de bijbelse God. Waar “wetten” naar refereren zijn immanente patronen van zijn en worden. In Mille Plateaux stelt Deleuze voor om wetten te vervangen door de concepten “singulariteiten” en “affecten”.

Om dit beter te begrijpen is het nuttig om te kijken naar de metafysische fundamenten van de filosofie van Gilles Deleuze. In de inleiding van Intensive Science and Virtual Philosophy legt DeLanda uit hoe Deleuze behoort tot het kamp van de realisten. Deleuze neemt aan dat er een werkelijkheid bestaat onafhankelijk van onze geesten. De werkelijkheid wordt met andere woorden volledige autonomie toegekend, los van de menselijke geest, of het nu gaat om het waarneembare of het niet-waarneembare. Let erop dat Deleuze hierin duidelijk verschilt van de postmoderne filosofieën die aan de basis, gewoonlijk, non-realistisch blijven.

Als realistisch filosoof verschilt Gilles Deleuze echter grondig met andere realisten wanneer het over de inhoud gaat van de werkelijkheid. Deleuze verwerpt verschillende entiteiten die in het gewone realisme voor lief genomen worden. Het meest voor de hand liggende voorbeeld is dat van de essentie.

Manuel DeLanda valt doorheen zijn oeuvre, geïnspireerd door de filosofie van Gilles Deleuze, de strakke scheidslijnen aan tussen ‘cultuur’ en ‘natuur’, ‘leven’ en ‘niet-leven’ en andere barricades tussen rigide concepten die gebaseerd zijn in het transcendente denken. Niet alleen zijn boeken en artikelen blinken uit in helderheid, empirie en scherpe argumentatie, maar ook zijn lezingen, die wijdverspreid te vinden zijn op het internet. Zo biedt het youtubekanaal van European Graduate School een reeks lezingen die Professor Manuel DeLanda er gaf in het kader van zijn Gilles Deleuze leerstoel van Hedendaagse Filosofie en Wetenschappen aan het EGS, sinds 2006.

Deze lezing is er een uit 2004, voor Tate Modern, met als titel ‘Nature, Space, Society’.
Door zijn historiserende kijk op de complexe werkelijkheid biedt De Landa nieuwe perspectieven op de vaak als problematisch ervaren verhouding tussen de samenleving en zijn instituten. Voor wie zich engageert in sociale verbetering biedt het werk van Manuel DeLanda, gebaseerd op de assemblage theorie van Deleuze, een degelijk kader dat hier nader kan besproken worden. Tegelijk vinden we ook kritische noten, zoals deze recensie van ‘A New Philosophy of Society’ (2006) door Steven Shaviro.

Hier een interview met Manuel DeLanda, vooral over architectuur.


Deleuziaans Filosofisch Webbrein

Een handige rhizomatische databank voor concepten, boeken, artikelen, video’s,… van en over de filosofie van Gilles Deleuze.
Voorlopig werkt het embedden niet. Volg voorlopig deze link.


Objectivisme en materialistische metafysica

Studie van de Objectivistische filosofie van Ayn Rand. De Prezi ‘Objectivisme’ is gebaseerd op een inleiding tot het Objectivisme gepresenteerd door Leonard Peikoff. Een kritische invraagstelling van het Objectivisme kan gebeuren vanuit het essay ‘Materialist Metaphysics’ van Manuel De Landa, terug te vinden in zijn boek ‘Deleuze – History and Science’ (2010). De Landa, één van de grondleggers van het nieuwe materialisme, werkt dit essay verder uit in zijn lezing “Metaphysics and Ontology: Aristotle and Deleuze’s Realism’ (2011) voor EGS. Ook het speculatief realisme kan een vruchtbare insteek zijn om het Objectivsme te bevragen naar zijn toepasbaarheid. Hiervoor kan onder meer het werk van Quentin Meillassoux geraadpleegd worden.


Een nieuwe aarde en een nieuw volk : over de betekenis van utopie bij Gilles Deleuze.

Dit artikel is een eigen bewerking van « Utopia » van Jonathan Roffe in The Deleuze Dictionary.

« Als de filosofie zich reterriotarialiseert naar het het concept, vindt ze daartoe niet de voorwaarde in de huidige vorm van de democratische Staat, of in een cogito van communicatie dat nog twijfelachtiger is dan een cogito van reflectie. Het ontbreekt ons niet aan communicatie, in tegendeel hebben we er teveel van, het ontbreekt ons aan creatie. Het ontbreekt ons aan verzet tegen het heden. De creatie van concepten doet zelf beroep op een toekomstige vorm, ze vraagt naar een nieuwe aarde en een volk dat nog niet bestaat. » (Deleuze Gilles, Guattari Félix, Qu’est-ce que la philosophie, p. 103 – 104, eigen vertaling)

De gevaren van utopisch activisme, zowel van linker- als van rechterzijde, zijn gekend. De lokroep van utopia, gevoed door het verlangen naar volmaaktheid en opheffing van het lijden, lijkt telkens weer onweerstaanbaar. Het kan dan ook verwonderlijk of zelfs schrikwekkend lijken dat het utopisme een belangrijke rol toebedeelt krijgt in de filosofie van Deleuze. Echter, Deleuze gaat speels en creatief om met concepten en utopisch denken betekent bij hem niet wat het op het eerste zicht lijkt.

Voor Gilles Deleuze verwijst de term ‘utopie’ naar de politieke roeping van de filosofie : de poging om nieuwe levenswijzen en nieuwe contexten voor ons bestaan tot stand te brengen door de creatie van concepten. Niks dus van de naïviteit waarmee utopische doctrines geponeerd worden. Utopia verwijst gebruikelijk naar een niet-bestaande plek, losgekoppeld van onze sociale problemen die het leven hier en nu kenmerken, alsof we zonder enige moeite een sprong zouden kunnen maken vanuit ons concreet bestaan naar een fundamenteel andere samenleving, waar iedereen vrij en gelukkig is.

Het gebruik van utopie komt vooral voor in Qu’est-ce que la philosophie (1991), geschreven samen met Félix Guattari. Utopia is daar het raakpunt tussen de huidige stand van zaken en de filosofische activiteit. Dit heeft niks te maken met een ideale toekomst, maar wel met de visie dat er filosofisch onderhandeld kan worden met het heden met de bedoeling om meer vrijheid te bewerkstelligen. Daarom kent de filosofie twee temporele loci : het heden en de toekomst.

Terwijl ze bezig is met de concrete huidige situatie zoals die is, zou het doel van de filosofie moeten zijn het breken met of zich verzetten tegen het heden in het voordeel van de toekomst. We kunnen hier denken aan Friedrich Nietzsche’s uitspraak in zijn Oneigentijdse beschouwingen, dat filosofie ageert op het heden, en dus ertegen, in het voordeel van een tijd die nog komen moet. Deze taak behoort de filosofie toe omdat die zich, volgens Deleuze en Guattari, bezighoudt met de creatie van concepten. In tegenstelling tot veel andere ideeën van de filosofie moet men bij concepten niet denken aan representaties van de werkelijkheid, of gereedschappen voor het blootleggen van de waarheid. Concepten zijn hier eerder werkelijke creaties, en filosofie als de creatie van concepten maakt daar doorheen nieuwe bestaanswijzen mogelijk. Kunst en wetenschappen kunnen deze creatieve taak ook op zich nemen, maar op hun eigen denkwijze waartoe het concept niet behoort. In de context van discussies refereert Deleuze vaak naar de uitspraak van de kunstenaar Paul Klee dat het publiek voor een kunstwerk niet eerder bestaat dan het werk zelf – de mensen ontbreken, zegt hij – maar wordt erdoor tot bestaan gewekt. For Deleuze vraagt alle creatieve denken naar nieuwe mensen en een nieuwe aarde.

« … utopia is wat filosofie verbindt met zijn eigen tijd,… In elk geval is het met utopia dat filosofie politiek wordt en kritiek op zijn eigen tijd naar zijn hoogtepunt brengt. » (Deleuze Gilles, Guattari Félix, Qu’est-ce que la philosophie, p. 95, eigen vertaling)

Dit begrip van politiek heeft dus niks te maken met uitspraken over de ideale aard van ons sociaal bestaan (in tegenstelling tot veel utopische filosofieën), maar ziet politiek als de handelingen die weerstand bieden aan de normen en waarden van het heden.

Volgens Deleuze kunnen we wel niet op voorhand beweren dat bepaalde concepten noodzakelijk zullen leiden tot een betere toekomst. Terwijl we ons verzetten tegen het heden en aan een nieuwe toekomst voor onszelf werken, is er geen enkele garantie dat de wereld die we aldus bouwen vrijer zal zijn. Beslissingen kunnen we enkel nemen op het moeizame pad van praktisch, emprisch leren en van zorgzame aandacht.


Ethische principes voor wie streeft naar sociale verbetering.

Verandering, verbetering van onze situatie, willen we allemaal. ‘Change we can believe in’. Echter, alle gekende recepten voor het maken van onze samenleving blijken uitgewerkt. De ontgoochelingen stapelen zich op. Ook Obama, voor velen de laatste strohalm van hoop, blijkt niet opgewassen tegen de krachten van ontwaarding van het leven, met het treurige schouwspel van de « schuldendeal » als laatste dieptepunt.
De ontreddering is groot. We lijken in een tijd te leven van cynisme, angst, wanhoop en depressie. Mensen die zich constructief wensen op te stellen verenigen zich, vaak via sociale netwerken. Ze gaan op zoek naar nieuwe ideeën en programma’s voor concrete acties. De chaos en onenigheid is echter groot. Veel kloven lijken onoverbrugbaar. De enen zoeken naar radicale oplossingen, de andere naar nieuwe vormen van activisme en eigen inbreng, we slaan elkaar om de oren met ideologische rhetoriek. Daarom dreigt de kracht van het momentum te verzinken in de chaos van de onderlinge onenigheid.

Hier wil ik twee ethische principes naar voor schuiven waarvan ik geloof dat ze ons allen kunnen verenigen. Ze kunnen als een basis dienen voor ons sociaal verzet, ongeacht onze individuele ambities, intellectuele achtergrond, ideologische basis of methodes.

De twee ethische principes klinken als volgt :
1ste ethisch principe : Praktijken van het vertegenwoordigen van anderen – ofwel in wie ze zijn of wat ze willen – zouden, zoveel mogelijk, vermeden moeten worden.
2de ethisch principe : Alle alternatieve praktijken zouden ruimte moeten krijgen en zelfs gepromoot worden.

Ik zal deze twee stellingen hier kort toelichten.

1ste ethisch principe : Praktijken van het vertegenwoordigen van anderen – ofwel in wie ze zijn of wat ze willen – zouden, zoveel mogelijk, vermeden moeten worden, of het principe van de non-representatie.

Spreken in naam van anderen is fundamenteel onwaardig, tenzij er grondige redenen toe zijn. Mensen zouden moeten spreken voor zichzelf, of daarin zoveel als mogelijk toe aangemoedigd worden. Indien hen de middelen daartoe ontbreken dienen die zoveel als mogelijk aangereikt te worden. Onderwijs speelt hier een fundamentele rol in. Iedereen kan spreken voor zichzelf en niemand hoeft ongevraagd te spreken in naam van een ander.
Deze kritische houding tegenover representatie heeft natuurlijk zijn repercussies voor de representatieve democratie zoals we die nu kennen. Hoewel de representatieve democratie bij haar ontstaan een goed idee was, kunnen we moeilijk vasthouden aan het geloof dat ze in onze hoogtechnologische 21ste eeuw het summum van ons kunnen benadert.
Dit betekent niet dat er een wet dient te komen tegen praktijken van het vertegenwoordigen van anderen. Het gaat hier om een gedragsprincipe, een voorschrift voor actie, geen aanbeveling tot strafmaatregelen. Zich consequent scharen achter deze richtlijn, op gelijk welk niveau, geeft ons, naar ik geloof, wel een garantie voor echte diepgaande sociale verandering in de richting van democratischer-worden.

2de ethisch principe : Alle alternatieve praktijken zouden, allen gelijkwaardig, ruimte moeten krijgen en zelfs gepromoot worden. We kunnen dit ook het principe van de differentie noemen.

Mensen zijn creatieve wezens. We merken overal nieuwe sociale experimenten, soms bewust en doelgericht, soms voor het plezier, vaak uit pure noodzaak. In dit opzicht kunnen grootsteden benaderd worden als interessante samenlevingslaboratoria. Alle praktijken die, zelfgekozen of niet, afstappen van het traditionele representatiemodel, verdienen onze aandacht en aanmoediging. Of het nu gaat om nieuwe vormen van collectivisme of singuliere levens, elke praktijk heeft het recht om voor zichzelf te spreken. Belicht het anders-zijn, de alternatieve levensweg, geef een stem aan wie echt uitgesloten wordt uit de samenleving. Belicht het creatieve en het expressieve.

Wie zich engageert in micropolitieke strijd zal op natuurlijke wijze samenspannen met wie uitgebuit wordt. Ik geloof dat voor wie op straat wil manifesteren, een sociaal geëngageerd boek wil schrijven of een blog onderhouden, een grassroots-beweging wil vervoegen of opstarten, burgerlijke ongehoorzaam wil zijn, of kiezen voor radicale actie, deze twee ethische principes kunnen dienen als gemeenschappelijke leidraad.
Indien mijn stelling klopt, dan zijn deze twee ethische principes waar we ons allen kunnen achter scharen een belangrijke stap naar vereniging van krachten.

Ik zou graag van u, lezers, reacties sprokkelen. Op basis van tegenargumenten kan ik deze twee ethische principes verder onderzoeken, dit wil zeggen, hun nut, geldigheid en weerbaarheid testen.


Geluid-worden

Om mijn denken te bevrijden word ik geluid; becoming-sound, devenir-son.
Hierbij laat ik me inspireren door het boek ‘Nietzsche et la philosophie’ van Gilles Deleuze. De eerste 16 tracks, die gebaseerd zijn op de 16 hoofdstukken van het eerste deel van het boek, ‘Le tragique’, kunt u hier beluisteren:

Le tragique by Xtof Calis

Momenteel ben ik bezig aan het tweede deel: ‘Actif et réactif’. Dit deel zal uiteindelijk 15 tracks tellen, gebaseerd op de 15 hoofdstukken van ‘Actif et réactif’.

U kunt het project hier volgen op Facebook.


Op naar hogere dimensies!

Op zaterdag 19 februari 2011, om 11u00, gaf Philip Van Loocke een lezing in Galerie Pascal Janssens in het kader van de expositie van zijn werk, ‘Een actueel perspectief op hogere dimensies’, lopend van 29.01.2011 t.e.m. 05.03.2011. De lezing had als titel ‘Tijd en bestaan : van wetenschap naar kunst’.

Hier geef ik een samenvatting van de lezing, die ongeveer anderhalf uur duurde. Het is een neerslag op basis van de nota’s die ik nam tijdens de lezing.

Philip Van Loocke leidde zijn uiteenzetting in met het beschrijven van zijn kunst als metafysische kunst. Zijn kunst is naar zijn eigen zeggen een geëngageerde kunst, met diepgang. Dit stelt de kunstenaar tegenover de postmoderne kunst die hij als oppervlakkig bestempelt. Over welk type van metafysica gaat het in zijn werk? Het betreft hier de introductie van bijkomende dimensies. Dit sluit ook aan op de titel van de tentoonstelling: ‘Een actueel perspectief op hogere dimensies’.

Het concept van deze hogere dimensies sluit aan bij onze huidige wetenschappelijke kosmologie. Wonderbaarlijk genoeg sluit deze hedendaagse kosmologie aan bij enkele oeroude mythes. Bij deze bijkomende of hogere dimensies dienen ook enkele vragen gesteld te werden over hun plaats in ons wereldbeeld en hun existentiële lading. Ook hoe die kunnen resoneren in onze beeldtaal houdt de kunstenaar-filosoof bezig.

Om welk wereldbeeld gaat het hier? Om die vraag te beantwoorden te geven schets Philip Van Loocke de historiek van ons huidige wereldbeeld. Hij neemt daarvoor als beginpunt de fysica van Newton, een vereniging van de ontdekkingen van Kepler en Galilei. Newton kwam met zijn fysica wel voor een paar problemen te staan wanneer hij die wilde toepassen op het bovenmaanse. Zo ging zijn fysica niet op voor de sterren. Wanneer voorwerpen aangetrokken worden door de zwaartekracht, waarom zien we dan geen implosie van het heelal, waarom zien we geen voortdurende botsende sterren? Als verklaring zag Newton een interventionisme van God. Newton was namelijk een religieus persoon, en dat op een curieuse wijze die nogal doet denken aan het profetisme van Nostradamus. Newton was ook begeesterd door de alchemie. Daardoor kwam hij tot een ander verklaringsmodel dan het mechanicisme van bijvoorbeeld Descartes. De alchemische interesses van Newton hielpen hem om zijn model van aantrekking van planeten opstellen, tegenover het model van de botsende planeten en sterren. De theorie van Newton moest in zijn tijd de strijd aangaan met concurrerende bedenksels, zoals dat van Euler, maar na een aanvaardingstijd van ongeveer 70 jaar brak Newtons fysica door als leidende theorie.

Het probleem van de niet-botsende sterren bleef echter bestaan en het was Albert Einstein die een nieuwe doorbraak forceerde. Einstein formuleerde de ruimte-tijd, als een vierdimensioneel geheel. Nadat Einstein op de proppen kwam met zijn algemene relativiteitstheorie bracht hij in 1917 een oplossing aan voor het probleem van Newton door te stellen dat ons universum een 3D-rand is van een 4D-bol. Dit model werkt echter niet, sterren zullen zich in dit model nog steeds aantrekken, wat uiteindelijk weer zou leiden tot een imploderend universum. Om dit te verhelpen voorzag Einstein zijn 4D-bol van een inwendige druk. Later zou Einstein toegeven dit de grootste blunder was uit zijn carrière was. We kunnen hem die fout vergeven door er rekening mee te houden dat er dan nog geen sprake was van de Hubble-waarneming. Deze waarneming uit de jaren ’30 leerde ons dat we in een uitdijend heelal vertoeven. Het model van Einstein ging nog uit van een statisch universum.

Er kwamen ter vervaning van dit statische model een kosmische constantes die slaan op een fysisch fenomeen: overal in de ruimte bevindt er zich energie. Daarbij werd het concept van de ‘donkere energie’ geïntroduceerd, een vorm van energie die verantwoordelijk is voor de steeds snellere uitdijing van het heelal. In dit model komen niet alleen de sterren steeds verder van elkaar te staan, maar ook alle moleculen in ons heelal verwijderen zich steeds verder van elkaar. Dit proces zal zich oneindig voortzetten waardoor we uiteindelijk komen tot een toestand waarbij het universum niks anders is dan een oneindige leegte.

Een universum dat absoluut leeg is zou natuurlijk niet levensvatbaar zijn. Die levensvatbaarheid is dan ook betrekkelijk, op kosmologisch vlak is de periode van organisch leven niks anders dan een zucht. Na de Big Bang is het leven niet direct mogelijk, eerst moeten er zich een aantal processen van zelforganisatie afspelen. Zo zijn bij een eerstegeneratiester geen levensvormen zoals wij die kennen mogelijk. Enkel bij een derdegeneratiester  is er mogelijks sprake van leven. Enkel bij een supernova kunnen atomen gevormd worden die zwaarder zijn dan ijzer. Maar er is nog meer vereist voor een levensvatbaar universum. We hebben nood aan onze vier natuurkundige krachten: zwaartekracht, elektromagnetische kracht, sterke kernkracht en zwakke kernkracht.

Zo kwamen natuurkundigen tot het inzicht van de fijnafstemming van het universum. De zwakke en de sterke kernkracht zijn blijkbaar danig precies afgesteld dat wanneer ze iets zwakker of sterker zouden zijn, organisch leven, op koolstof gebaseerd, niet mogelijk zou zijn. Zo zijn er nog een aantal meevallers op te sommen. De donkere energie, ontdekt in 1958, bijvoorbeeld, en de quantumfluctuaties in het vacuüm, die onderhevig zijn aan het onzekerheidsbeginsel. De vacuümenergie of nulpuntsenergie is een ander voorbeeld. Een belangrijke vraag voortvloeiend uit deze fijnafstemming is hoe we die kunnen verklaren. Eén bepaalde benadering is op zoek gaan naar verklaringen die een externe intelligentie inroepen. Een andere benadering is de weg van de huidige kosmologie: de inflatiekosmologie. Ik vermeld hier graag ook dat ik zelf ooit een nummer schreef met als titel ‘Zero point’, waarvoor ik inspiratie haalde bij het concept van de nulpuntenergie.

Vanaf de jaren ’80 kwamen veel problemen aan de oppervlakte voor de klassieke Big Bang-kosmologie. Dit model zegt niet wat Bang deed en waarom, en wat ging er aan vooraf? De deeltjesfysica combineren met de BB-kosmologie leidde tot het inflatiemodel. Hier vertrekt men van de quantummechanica die uitwijst dat fluctuaties af en toe aanleiding kunnen geven tot het ontstaan van een universum. Het universum dat ontstaat bij het BB-model leidt tot een eilanduniversum of een Hubble-volume. Het inflatiemodel zegt dat melkwegen ontstaan door uitvergroting van quantumfluctuaties. Het onzekerheidsbeginsel binnen de quantummechanica verklaart dan zowel het bestaan van het elektron en de grote structuren van het universum. Deze twee modellen leiden tot enkele opmerkelijke verschillen. Wanneer we de algemene relativiteitsleer consequent toepassen, dan zien we een groot verschil tussen de waarnemer in het fluctuatievacuüm en de waarnemer in het eilanduniversum. Wij bevinden ons in het laatste geval en zien dan de Big Bang zich voordoen op één moment, ongeveer 13,8 miljard jaar geleden. Het eilanduniversum is dan wel oneindig groot. In het fluctuatievacuüm blijft de Big Bang aanhoudend bestaan in een uitdijende bubble. In het fluctuatievacuüm kunnen we daarom spreken van oneindige tijd. In het eilanduniversum kunnen we spreken van oneindige ruimte. In het laatste geval is het universum maar een zucht lang levensvatbaar. In het fluctuatievacuüm is het universum oneindig lang levensvatbaar.

We kunnen een analogie maken met het leven op Aarde. Er zijn een aantal toevalstreffers voor het leven op Aarde, zoals afstand tot de zon, Jupiter die ons beschermt tegen kometen, de Maan die zorgt voor een stabiel klimaat, enzovoort. Waarom is het toch geen mirakel dat er leven is op Aarde? Omdat er zoveel planeten zijn in ons universum, in onze melkweg, in ons Hubble-volume. Deze zelfde redering gaat op voor de oplossing van de inflatiekosmologie, het is geen mirakel dat we in een levensvatbaar universum leven, omdat er zoveel universa bestaan. De kosmologie van nu is een veelwereldeninterpretatie. Deze interpretatie is werd voor het eerst geponeerd door Hugh Everett. Een leuk tussendoortje waar Philip Van Loocke hier op wees is dat E, de zanger en oprichter van Eels, de zoon is van Hugh Everett. Een andere belangrijke referentie die hier vermeldenswaard is, is David Deutsch. Daarbij verwijs ik hierzelf graag naar zijn boek ‘The Fabric of Reality’ (1997) dat ik ooit, op aanraden van Philip Van Loocke, met heel veel plezier las.

In de loop van de jaren negentig kwam de snaartheorie tot stand. Dit model van de werkelijkheid, dat 10 dimensies kent is compatibel met de quantummechanica en was een mooie stap naar een unificatietheorie. Ondertussen werd de snaartheorie vervangen door de M-braantheorie, die zich afspeelt in 11 dimensies. Het feit dat deze theorieën de inflatiekosmologie in grote lijnen intact laten is alvast veelbelovend. In de toekomst zal uitgemaakt kunnen worden of het inflatiemodel of het model dat uitgaat van een cyclisch universum en een Big bang juist is.

Niet alleen de 1D-structuur van een snaar, maar ook 2D en 3D trillen in de hogere dimensies. Het is in deze context dat we het grafisch werk van Philip Van Loocke kunnen kaderen. De 2D-foto’s van bijvoorbeeld de kathedraal van Ieper laat Philip Van Loocke met behulp van wiskundige modellen, krachtige software en krachtige computers trillen in hogere dimensies. Het resultaat daarvan projecteert hij terug op een 2D-vlak. Dit resulteert in zijn originele composities. Op deze wijze maakt hij de hogere dimensies van de huidige kosmologie zichtbaar.

Philip Van Loocke wijst ook op de eigenaardigheid dat eeuwenoude Indische mythes een beeld scheppen dat gelijkaardig is aan dat van de cyclische universa. Zo wordt het universum aldaar gedroomd door Brahman en rest er aan het einde van de droom niks dan de leegte. Ook de thematiek van de oneindigheid kan teruggevonden worden in de Indische mythologie. Zo is er het voorbeeld van de parels van Indra. In de parels die elkaar weerspiegelen ontspruiten er werelden van oneindig detail.

Hier legt Philip Van Loocke een link met zijn eigen sculpturen. Door de weerspiegelingen in zijn sculpturen ontstaat met een beperkt aantal elementen een beeld van oneindigheid. Met een krachtige telelens en een lange sluitertijd maakt hij deze oneindigheid aanschouwelijk in foto’s. Deze foto’s hebben ook nog affiniteit met andere mythes, bijvoorbeeld de Kaballah van Luria uit de 16de eeuw.

Philip Van Loocke besluit zijn lezing met te stellen dat hogere dimensies integreren in de kunst op zich niet zo nieuw is. Zo liet Picasso zich inspireren door 4D-meetkunde bij het ontwikkelen van het kubisme. Ook Roger Penrose is bezig met het integreren van hogere dimensies in de kunst. Volgens Philip Van Loocke maakt metafysische kunst opgang en zal dat ten koste zijn van de oppervlakkige postmoderne kunst.

Na het geven van zijn leven kreeg Philip Van Loocke een terecht warm applaus van het aanwezige publiek. Vooral de menselijk taal waarvan de kunstenaar-filosoof zijn aanhoorders voorzag om dit hooggegrepen onderwerp in de belangstelling te brengen vond ikzelf kortom knap. Ook de manier waarop hij als kunstenaar en wijsgeer een wisselwerking belichaamt tussen filosofie, wetenschappen en kunst zonder hoogdraverig te doen vind ik echt bewonderenswaardig. Dat filosofie, wetenschappen en kunst net de drie modaliteiten van het denken zijn die Gilles Deleuze en Félix Guattari onderscheiden in ‘Qu’est-ce que la philosophie?’ (1991) vind ik voor mezelf ook een boeiend gegeven. Ik voelde na de lezing naast intellectuele genoegdoening ook een bevrijdend effect. De huidige kosmologie geeft ons niet enkel veel boeiends te bieden op het vlak van wetenschappelijke kennis, maar ook op het gebied van zingeving en verbeelding. De hedendaagse stand van zaken toont dat ons eigen bestaan niet is wat het lijkt. Stilstaan bij de oneindigheid van tijd en ruimte, het bestaan van hogere dimensies en multiversa, een mens kan er moeilijk onbewogen bij blijven. Dat bleek ook uit de vragen die na de lezing enthousiast afgevuurd werden uit het publiek, maar waar helaas iets te weinig tijd voor uitgetrokken werd.

Ik stelde zelf de vraag naar een immanent zelforganiserend principe of het bestaan van ons geordend universum te verklaren. Indien men niet kiest voor een verklaring die uitgaat van een externe intelligentie of een transcendente god, is er hier mijn inziens nood aan. Philip Van Loocke verwijst me hieromtrent door naar hoofdstuk 7 van zijn boek “Het Wereldbeeld van de Wetenschap. In dit hoofdstuk over de hedendaagse kosmologie komt de theoretisch natuurkundige Lee Smolin aan bod. Smolin beschouwt het universum als een levend organisme, onderworpen aan de wetten van de evolutietheorie. De kosmos plant zich in zijn theorie voort via zwarte gaten. Dit vind ik een heel interessante theorie, waarin een kosmologische ecologie onderhevig is aan een zelforganiserend principe. Philip Van Loocke wijst er echter op in zijn boek dat deze theorie nogal wat aandacht oogst in de populaire media, maar dat ze nogal wat vragen over de creatie van universa in de zwarte gaten onbeantwoord laat.

Een kritische kanttekening vind ik hier op zijn plaats bij de kritiek die Philip Van Loocke uitte tijdens zijn inleiding en besluit op de postmoderne kunst, als zou die per definitie oppervlakkig zijn. Mijn eerste vraag is hierbij vooral hoe Philip Van Loocke postmodernisme en postmoderne kunst definieert. Postmoderne kunst lijkt me een containerbegrip dat beter de mijden valt. Ik vermoed dat Philip Van Loocke tot zijn stelling komt door alles wat hij als oppervlakkige hedendaagse kunst beschouwt te  catalogeren als postmodern. Zo kom je in een cirkelredenering terecht in de trant van: deze hedendaagse kunst is oppervlakkig, dus postmodern, dus postmoderne kunst is oppervlakkig. Ik hoop hier in de toekomst nog een reactie over te krijgen van de kunstenaar-filosoof zelf.

Een verdere uitdagende vraag die we ons kunnen stellen is in welke mate de kunst van Philip Van Loocke zelf niet te catalogiseren valt onder postmodern, wat volgens mij niks te maken heeft met oppervlakkigheid. Zo viel het mij op dat de galerijhouder Pascal Janssens zowel in zijn uitnodiging van de tentoonstelling als in de inleiding van de lezing van de kunstenaar refereert naar Robert Smithson, een kunstenaar die geboekstaafd staat als postmodern bij uitstek. Door zijn spiegeltechnieken betracht Smithson een subject-object-overlapping die inderdaad te herkennen valt in de sculpturen van Philip Van Loocke, een typisch postmodern thema.

Ik besluit graag met de tentoonstelling die nog loopt tot 5 maart 2011 in het centrum van Gent te tippen als een uitdagende artistieke ontdekkingstocht. Ook het boek van Philip Van Loocke, “Het Wereldbeeld van de Wetenschap” (2009) vind ik een aanrader voor wie houdt van een intellectuele uitdaging.


Follow

Get every new post delivered to your Inbox.