Op naar hogere dimensies!

Op zaterdag 19 februari 2011, om 11u00, gaf Philip Van Loocke een lezing in Galerie Pascal Janssens in het kader van de expositie van zijn werk, ‘Een actueel perspectief op hogere dimensies’, lopend van 29.01.2011 t.e.m. 05.03.2011. De lezing had als titel ‘Tijd en bestaan : van wetenschap naar kunst’.

Hier geef ik een samenvatting van de lezing, die ongeveer anderhalf uur duurde. Het is een neerslag op basis van de nota’s die ik nam tijdens de lezing.

Philip Van Loocke leidde zijn uiteenzetting in met het beschrijven van zijn kunst als metafysische kunst. Zijn kunst is naar zijn eigen zeggen een geëngageerde kunst, met diepgang. Dit stelt de kunstenaar tegenover de postmoderne kunst die hij als oppervlakkig bestempelt. Over welk type van metafysica gaat het in zijn werk? Het betreft hier de introductie van bijkomende dimensies. Dit sluit ook aan op de titel van de tentoonstelling: ‘Een actueel perspectief op hogere dimensies’.

Het concept van deze hogere dimensies sluit aan bij onze huidige wetenschappelijke kosmologie. Wonderbaarlijk genoeg sluit deze hedendaagse kosmologie aan bij enkele oeroude mythes. Bij deze bijkomende of hogere dimensies dienen ook enkele vragen gesteld te werden over hun plaats in ons wereldbeeld en hun existentiële lading. Ook hoe die kunnen resoneren in onze beeldtaal houdt de kunstenaar-filosoof bezig.

Om welk wereldbeeld gaat het hier? Om die vraag te beantwoorden te geven schets Philip Van Loocke de historiek van ons huidige wereldbeeld. Hij neemt daarvoor als beginpunt de fysica van Newton, een vereniging van de ontdekkingen van Kepler en Galilei. Newton kwam met zijn fysica wel voor een paar problemen te staan wanneer hij die wilde toepassen op het bovenmaanse. Zo ging zijn fysica niet op voor de sterren. Wanneer voorwerpen aangetrokken worden door de zwaartekracht, waarom zien we dan geen implosie van het heelal, waarom zien we geen voortdurende botsende sterren? Als verklaring zag Newton een interventionisme van God. Newton was namelijk een religieus persoon, en dat op een curieuse wijze die nogal doet denken aan het profetisme van Nostradamus. Newton was ook begeesterd door de alchemie. Daardoor kwam hij tot een ander verklaringsmodel dan het mechanicisme van bijvoorbeeld Descartes. De alchemische interesses van Newton hielpen hem om zijn model van aantrekking van planeten opstellen, tegenover het model van de botsende planeten en sterren. De theorie van Newton moest in zijn tijd de strijd aangaan met concurrerende bedenksels, zoals dat van Euler, maar na een aanvaardingstijd van ongeveer 70 jaar brak Newtons fysica door als leidende theorie.

Het probleem van de niet-botsende sterren bleef echter bestaan en het was Albert Einstein die een nieuwe doorbraak forceerde. Einstein formuleerde de ruimte-tijd, als een vierdimensioneel geheel. Nadat Einstein op de proppen kwam met zijn algemene relativiteitstheorie bracht hij in 1917 een oplossing aan voor het probleem van Newton door te stellen dat ons universum een 3D-rand is van een 4D-bol. Dit model werkt echter niet, sterren zullen zich in dit model nog steeds aantrekken, wat uiteindelijk weer zou leiden tot een imploderend universum. Om dit te verhelpen voorzag Einstein zijn 4D-bol van een inwendige druk. Later zou Einstein toegeven dit de grootste blunder was uit zijn carrière was. We kunnen hem die fout vergeven door er rekening mee te houden dat er dan nog geen sprake was van de Hubble-waarneming. Deze waarneming uit de jaren ’30 leerde ons dat we in een uitdijend heelal vertoeven. Het model van Einstein ging nog uit van een statisch universum.

Er kwamen ter vervaning van dit statische model een kosmische constantes die slaan op een fysisch fenomeen: overal in de ruimte bevindt er zich energie. Daarbij werd het concept van de ‘donkere energie’ geïntroduceerd, een vorm van energie die verantwoordelijk is voor de steeds snellere uitdijing van het heelal. In dit model komen niet alleen de sterren steeds verder van elkaar te staan, maar ook alle moleculen in ons heelal verwijderen zich steeds verder van elkaar. Dit proces zal zich oneindig voortzetten waardoor we uiteindelijk komen tot een toestand waarbij het universum niks anders is dan een oneindige leegte.

Een universum dat absoluut leeg is zou natuurlijk niet levensvatbaar zijn. Die levensvatbaarheid is dan ook betrekkelijk, op kosmologisch vlak is de periode van organisch leven niks anders dan een zucht. Na de Big Bang is het leven niet direct mogelijk, eerst moeten er zich een aantal processen van zelforganisatie afspelen. Zo zijn bij een eerstegeneratiester geen levensvormen zoals wij die kennen mogelijk. Enkel bij een derdegeneratiester  is er mogelijks sprake van leven. Enkel bij een supernova kunnen atomen gevormd worden die zwaarder zijn dan ijzer. Maar er is nog meer vereist voor een levensvatbaar universum. We hebben nood aan onze vier natuurkundige krachten: zwaartekracht, elektromagnetische kracht, sterke kernkracht en zwakke kernkracht.

Zo kwamen natuurkundigen tot het inzicht van de fijnafstemming van het universum. De zwakke en de sterke kernkracht zijn blijkbaar danig precies afgesteld dat wanneer ze iets zwakker of sterker zouden zijn, organisch leven, op koolstof gebaseerd, niet mogelijk zou zijn. Zo zijn er nog een aantal meevallers op te sommen. De donkere energie, ontdekt in 1958, bijvoorbeeld, en de quantumfluctuaties in het vacuüm, die onderhevig zijn aan het onzekerheidsbeginsel. De vacuümenergie of nulpuntsenergie is een ander voorbeeld. Een belangrijke vraag voortvloeiend uit deze fijnafstemming is hoe we die kunnen verklaren. Eén bepaalde benadering is op zoek gaan naar verklaringen die een externe intelligentie inroepen. Een andere benadering is de weg van de huidige kosmologie: de inflatiekosmologie. Ik vermeld hier graag ook dat ik zelf ooit een nummer schreef met als titel ‘Zero point’, waarvoor ik inspiratie haalde bij het concept van de nulpuntenergie.

Vanaf de jaren ’80 kwamen veel problemen aan de oppervlakte voor de klassieke Big Bang-kosmologie. Dit model zegt niet wat Bang deed en waarom, en wat ging er aan vooraf? De deeltjesfysica combineren met de BB-kosmologie leidde tot het inflatiemodel. Hier vertrekt men van de quantummechanica die uitwijst dat fluctuaties af en toe aanleiding kunnen geven tot het ontstaan van een universum. Het universum dat ontstaat bij het BB-model leidt tot een eilanduniversum of een Hubble-volume. Het inflatiemodel zegt dat melkwegen ontstaan door uitvergroting van quantumfluctuaties. Het onzekerheidsbeginsel binnen de quantummechanica verklaart dan zowel het bestaan van het elektron en de grote structuren van het universum. Deze twee modellen leiden tot enkele opmerkelijke verschillen. Wanneer we de algemene relativiteitsleer consequent toepassen, dan zien we een groot verschil tussen de waarnemer in het fluctuatievacuüm en de waarnemer in het eilanduniversum. Wij bevinden ons in het laatste geval en zien dan de Big Bang zich voordoen op één moment, ongeveer 13,8 miljard jaar geleden. Het eilanduniversum is dan wel oneindig groot. In het fluctuatievacuüm blijft de Big Bang aanhoudend bestaan in een uitdijende bubble. In het fluctuatievacuüm kunnen we daarom spreken van oneindige tijd. In het eilanduniversum kunnen we spreken van oneindige ruimte. In het laatste geval is het universum maar een zucht lang levensvatbaar. In het fluctuatievacuüm is het universum oneindig lang levensvatbaar.

We kunnen een analogie maken met het leven op Aarde. Er zijn een aantal toevalstreffers voor het leven op Aarde, zoals afstand tot de zon, Jupiter die ons beschermt tegen kometen, de Maan die zorgt voor een stabiel klimaat, enzovoort. Waarom is het toch geen mirakel dat er leven is op Aarde? Omdat er zoveel planeten zijn in ons universum, in onze melkweg, in ons Hubble-volume. Deze zelfde redering gaat op voor de oplossing van de inflatiekosmologie, het is geen mirakel dat we in een levensvatbaar universum leven, omdat er zoveel universa bestaan. De kosmologie van nu is een veelwereldeninterpretatie. Deze interpretatie is werd voor het eerst geponeerd door Hugh Everett. Een leuk tussendoortje waar Philip Van Loocke hier op wees is dat E, de zanger en oprichter van Eels, de zoon is van Hugh Everett. Een andere belangrijke referentie die hier vermeldenswaard is, is David Deutsch. Daarbij verwijs ik hierzelf graag naar zijn boek ‘The Fabric of Reality’ (1997) dat ik ooit, op aanraden van Philip Van Loocke, met heel veel plezier las.

In de loop van de jaren negentig kwam de snaartheorie tot stand. Dit model van de werkelijkheid, dat 10 dimensies kent is compatibel met de quantummechanica en was een mooie stap naar een unificatietheorie. Ondertussen werd de snaartheorie vervangen door de M-braantheorie, die zich afspeelt in 11 dimensies. Het feit dat deze theorieën de inflatiekosmologie in grote lijnen intact laten is alvast veelbelovend. In de toekomst zal uitgemaakt kunnen worden of het inflatiemodel of het model dat uitgaat van een cyclisch universum en een Big bang juist is.

Niet alleen de 1D-structuur van een snaar, maar ook 2D en 3D trillen in de hogere dimensies. Het is in deze context dat we het grafisch werk van Philip Van Loocke kunnen kaderen. De 2D-foto’s van bijvoorbeeld de kathedraal van Ieper laat Philip Van Loocke met behulp van wiskundige modellen, krachtige software en krachtige computers trillen in hogere dimensies. Het resultaat daarvan projecteert hij terug op een 2D-vlak. Dit resulteert in zijn originele composities. Op deze wijze maakt hij de hogere dimensies van de huidige kosmologie zichtbaar.

Philip Van Loocke wijst ook op de eigenaardigheid dat eeuwenoude Indische mythes een beeld scheppen dat gelijkaardig is aan dat van de cyclische universa. Zo wordt het universum aldaar gedroomd door Brahman en rest er aan het einde van de droom niks dan de leegte. Ook de thematiek van de oneindigheid kan teruggevonden worden in de Indische mythologie. Zo is er het voorbeeld van de parels van Indra. In de parels die elkaar weerspiegelen ontspruiten er werelden van oneindig detail.

Hier legt Philip Van Loocke een link met zijn eigen sculpturen. Door de weerspiegelingen in zijn sculpturen ontstaat met een beperkt aantal elementen een beeld van oneindigheid. Met een krachtige telelens en een lange sluitertijd maakt hij deze oneindigheid aanschouwelijk in foto’s. Deze foto’s hebben ook nog affiniteit met andere mythes, bijvoorbeeld de Kaballah van Luria uit de 16de eeuw.

Philip Van Loocke besluit zijn lezing met te stellen dat hogere dimensies integreren in de kunst op zich niet zo nieuw is. Zo liet Picasso zich inspireren door 4D-meetkunde bij het ontwikkelen van het kubisme. Ook Roger Penrose is bezig met het integreren van hogere dimensies in de kunst. Volgens Philip Van Loocke maakt metafysische kunst opgang en zal dat ten koste zijn van de oppervlakkige postmoderne kunst.

Na het geven van zijn leven kreeg Philip Van Loocke een terecht warm applaus van het aanwezige publiek. Vooral de menselijk taal waarvan de kunstenaar-filosoof zijn aanhoorders voorzag om dit hooggegrepen onderwerp in de belangstelling te brengen vond ikzelf kortom knap. Ook de manier waarop hij als kunstenaar en wijsgeer een wisselwerking belichaamt tussen filosofie, wetenschappen en kunst zonder hoogdraverig te doen vind ik echt bewonderenswaardig. Dat filosofie, wetenschappen en kunst net de drie modaliteiten van het denken zijn die Gilles Deleuze en Félix Guattari onderscheiden in ‘Qu’est-ce que la philosophie?’ (1991) vind ik voor mezelf ook een boeiend gegeven. Ik voelde na de lezing naast intellectuele genoegdoening ook een bevrijdend effect. De huidige kosmologie geeft ons niet enkel veel boeiends te bieden op het vlak van wetenschappelijke kennis, maar ook op het gebied van zingeving en verbeelding. De hedendaagse stand van zaken toont dat ons eigen bestaan niet is wat het lijkt. Stilstaan bij de oneindigheid van tijd en ruimte, het bestaan van hogere dimensies en multiversa, een mens kan er moeilijk onbewogen bij blijven. Dat bleek ook uit de vragen die na de lezing enthousiast afgevuurd werden uit het publiek, maar waar helaas iets te weinig tijd voor uitgetrokken werd.

Ik stelde zelf de vraag naar een immanent zelforganiserend principe of het bestaan van ons geordend universum te verklaren. Indien men niet kiest voor een verklaring die uitgaat van een externe intelligentie of een transcendente god, is er hier mijn inziens nood aan. Philip Van Loocke verwijst me hieromtrent door naar hoofdstuk 7 van zijn boek “Het Wereldbeeld van de Wetenschap. In dit hoofdstuk over de hedendaagse kosmologie komt de theoretisch natuurkundige Lee Smolin aan bod. Smolin beschouwt het universum als een levend organisme, onderworpen aan de wetten van de evolutietheorie. De kosmos plant zich in zijn theorie voort via zwarte gaten. Dit vind ik een heel interessante theorie, waarin een kosmologische ecologie onderhevig is aan een zelforganiserend principe. Philip Van Loocke wijst er echter op in zijn boek dat deze theorie nogal wat aandacht oogst in de populaire media, maar dat ze nogal wat vragen over de creatie van universa in de zwarte gaten onbeantwoord laat.

Een kritische kanttekening vind ik hier op zijn plaats bij de kritiek die Philip Van Loocke uitte tijdens zijn inleiding en besluit op de postmoderne kunst, als zou die per definitie oppervlakkig zijn. Mijn eerste vraag is hierbij vooral hoe Philip Van Loocke postmodernisme en postmoderne kunst definieert. Postmoderne kunst lijkt me een containerbegrip dat beter de mijden valt. Ik vermoed dat Philip Van Loocke tot zijn stelling komt door alles wat hij als oppervlakkige hedendaagse kunst beschouwt te  catalogeren als postmodern. Zo kom je in een cirkelredenering terecht in de trant van: deze hedendaagse kunst is oppervlakkig, dus postmodern, dus postmoderne kunst is oppervlakkig. Ik hoop hier in de toekomst nog een reactie over te krijgen van de kunstenaar-filosoof zelf.

Een verdere uitdagende vraag die we ons kunnen stellen is in welke mate de kunst van Philip Van Loocke zelf niet te catalogiseren valt onder postmodern, wat volgens mij niks te maken heeft met oppervlakkigheid. Zo viel het mij op dat de galerijhouder Pascal Janssens zowel in zijn uitnodiging van de tentoonstelling als in de inleiding van de lezing van de kunstenaar refereert naar Robert Smithson, een kunstenaar die geboekstaafd staat als postmodern bij uitstek. Door zijn spiegeltechnieken betracht Smithson een subject-object-overlapping die inderdaad te herkennen valt in de sculpturen van Philip Van Loocke, een typisch postmodern thema.

Ik besluit graag met de tentoonstelling die nog loopt tot 5 maart 2011 in het centrum van Gent te tippen als een uitdagende artistieke ontdekkingstocht. Ook het boek van Philip Van Loocke, “Het Wereldbeeld van de Wetenschap” (2009) vind ik een aanrader voor wie houdt van een intellectuele uitdaging.

Advertisements

Leve het immanente denken!

‘Immanentie’ is het centrale principe van de filosofie van denkers als Spinoza en Deleuze.

Wat is immanentie?

Gewoonlijk wordt ‘immanentie’ beschouwd als een metafysisch concept tegenovergesteld aan ‘transcendentie’. De theologie en cosmologie van Spinoza’s filosofie van de ‘goddelijke natuur’ wordt gekarakteriseerd door immanentie. In het denksysteem van Spinoza is er geen God buiten de werkelijkheid, die de werkelijkheid overstijgt of ‘transcendeert’. De enige God die volgens Spinoza bestaat is een scheppingsprincipe dat eigen is aan de natuur, een scheppingsprincipe dat binnen de structuur van de werkelijkheid ligt, of immanent is aan de werkelijkheid. Deus sive Natura, “God oftwel de natuur” klinkt het bij Spinoza, of God is identiek aan de natuur. Immanent denken wordt dan een manier van denken die niet te verenigen valt met een openbaringsgodsdienst. De openbaringsgodsdiensten kennen een transcendente God, of een God die de werkelijkheid overstijgt, er buiten staat. Het zogenaamde pantheïsme van Spinoza kun je onder andere herkennen binnen het Boeddhisme. Ook een atheïst kan zich verzoenen met het immanente godsbeeld van Spinoza. Als God samenvalt met de natuur, dan is het bestaan van God enkel een kwestie van woordkeuze. En welke atheïst wenst het bestaan van de natuur te ontkennen? Spinoza lezen werkt voor mij heel bevrijdend, de Spinozistische filosofie is vreugdevol en ontdoet je van elk schuldgevoel. Ik kom hier bij een gelegenheid nog op terug in een volgende blog.

Naast deze klassieke notie van immanentie tegenovergesteld aan transcendentie, formaliseert Gilles Deleuze immanent denken zodat het verwijst naar elke manier van denken dat zich ontdoet van een extern of transcendent gezichtspunt. En dat heeft in verschillende contexten verschillende implicaties.

Voor de ontologie van de geest betekent immanentie dat de geest een deel is van de werkelijkheid en die geest onplooit zich als een activiteit binnen het krachtenveld van de werkelijkheid als een geheel. Er kan geen subject bestaan buiten het natuurlijke systeem van oorzaken. Dit is wel het geval bij, bijvoorbeeld, Kants ‘transcendente subject’. Deze ontologie bevrijdt het subject van de verbanning naar een wereld die we niet kennen, Deleuze plaatst het subject weer binnen onze werkelijkheid.

Wat betreft de epistemologie, of het onderzoek van wat goed denken is en hoe gedachten gerelateerd zijn aan zijn objecten, vloeit uit het concept van de immanentie voort dat gedachten zich ontwikkelen als een proces, gelijktijdig met de werkelijkheid die dat denken tracht te vatten. Denken is niet zoals een foto nemen van een wereld van objecten, maar wel het ontplooien van verschillende werkelijkheden binnen de werkelijkheid van het denken.

Dit klinkt nogal theoretisch? Nochtans heeft dit immanente denken heel wat gevolgen voor ons dagelijks handelen. Neem bijvoorbeeld de vraag “hoe moeten we leven?” Het concept immanentie leidt naar een tegenstelling tussen ethiek en moraliteit: de ethiek van Deleuze, geërfd van Spinoza, vooral, en Nietzsche, gaat over de affirmatie en bevrijding van actieve, vreugdevolle aandoeningen. Deze ethiek gaat over het verwerven van een kijk op het leven vanuit een lotsbestemming die samengaat met het leven erkennen als een immanente en onvermijdelijke variatie van krachten. Moraliteit daarentegen bestaat uit een systeem van oordelen gericht op een evaluatie van handelingen. Volgens Deleuziaanse ethiek, representeert zulk een systeem van moreel oordelen een handeling geïsoleerd van het krachtensysteem waar het deel van uitmaakt.

De ethiek van Deleuze kunnen we vatten als amor fati: een liefhebben van wat onvermijdelijk is. We vinden deze levenshouding terug bij de Stoa, bij Spinoza en bij Nietzsche.

Ik vond voor deze blog inspiratie in het boekje “Deleuze” (2007) van Reidar Due uit de reeks Key Contemporary Thinkers, uitgegeven bij Polity Press, een uitstekende inleiding tot het denken van Gilles Deleuze. Ik vermeld er wel graag bij dat er niks boven de woorden van Deleuze zelf lezen gaat om zijn filosofie echt te begrijpen en er tenvolle van te genieten.


Mijn denken bevrijden.

De vitale krachten die geactiveerd kunnen worden in het denken worden al te vaak geremd door een systeem van ordening en filtering die de werkelijkheid een allesbepalende logische structuur oplegt. Ik wijd deze blog aan het bevrijden van mijn denken, aan het vitaliseren van mijn denken. Ik laat me hierbij een duwtje in de rug geven door filosofen als Baruch Spinoza, Friedrich Nietzsche en Gilles Deleuze. Ook kunst, wetenschappen en vooral mijn dagelijks leven zijn catalysatoren die een rol kunnen spelen in dit bevrijdingsproces.

Ik wens aandacht te besteden aan concepten als immanentie, intuïtie, werkelijkheid, verlangen, eeuwige terugkeer , intensiteit, nomadisme, schizo-analyse, staat, samenleving, controle, wil tot macht, geheugen, micropolitiek, vluchtlijnen, identiteit, subjectiviteit, rhizoom,… Dit zijn concepten die vooral in de filosofie van Gilles Deleuze en Félix Guattari aan bod komen, de denkers die mij momenteel het meest inspireren.

Op termijn hoop ik mijn denken danig te bevrijden dat ik zelf ook concepten ontwikkel om problemen waarmee ik in de werkelijkheid wordt geconfronteerd beter aan te pakken. Dit is tenslotte de ware taak van de filosofie.

Niet enkel filosofie, maar ook de andere modaliteiten van het denken, namelijk kunst en wetenschappen houden me bezig. Gebeurtenissen en confrontaties die me de moeite waard zijn zal ik bijhouden via deze blog.

De achterliggende bedoeling van dit schrijven? Goesting, goesting in avontuur en goesting in bijleren… amor fati.