Een nieuwe aarde en een nieuw volk : over de betekenis van utopie bij Gilles Deleuze.

Dit artikel is een eigen bewerking van « Utopia » van Jonathan Roffe in The Deleuze Dictionary.

« Als de filosofie zich reterriotarialiseert naar het het concept, vindt ze daartoe niet de voorwaarde in de huidige vorm van de democratische Staat, of in een cogito van communicatie dat nog twijfelachtiger is dan een cogito van reflectie. Het ontbreekt ons niet aan communicatie, in tegendeel hebben we er teveel van, het ontbreekt ons aan creatie. Het ontbreekt ons aan verzet tegen het heden. De creatie van concepten doet zelf beroep op een toekomstige vorm, ze vraagt naar een nieuwe aarde en een volk dat nog niet bestaat. » (Deleuze Gilles, Guattari Félix, Qu’est-ce que la philosophie, p. 103 – 104, eigen vertaling)

De gevaren van utopisch activisme, zowel van linker- als van rechterzijde, zijn gekend. De lokroep van utopia, gevoed door het verlangen naar volmaaktheid en opheffing van het lijden, lijkt telkens weer onweerstaanbaar. Het kan dan ook verwonderlijk of zelfs schrikwekkend lijken dat het utopisme een belangrijke rol toebedeelt krijgt in de filosofie van Deleuze. Echter, Deleuze gaat speels en creatief om met concepten en utopisch denken betekent bij hem niet wat het op het eerste zicht lijkt.

Voor Gilles Deleuze verwijst de term ‘utopie’ naar de politieke roeping van de filosofie : de poging om nieuwe levenswijzen en nieuwe contexten voor ons bestaan tot stand te brengen door de creatie van concepten. Niks dus van de naïviteit waarmee utopische doctrines geponeerd worden. Utopia verwijst gebruikelijk naar een niet-bestaande plek, losgekoppeld van onze sociale problemen die het leven hier en nu kenmerken, alsof we zonder enige moeite een sprong zouden kunnen maken vanuit ons concreet bestaan naar een fundamenteel andere samenleving, waar iedereen vrij en gelukkig is.

Het gebruik van utopie komt vooral voor in Qu’est-ce que la philosophie (1991), geschreven samen met Félix Guattari. Utopia is daar het raakpunt tussen de huidige stand van zaken en de filosofische activiteit. Dit heeft niks te maken met een ideale toekomst, maar wel met de visie dat er filosofisch onderhandeld kan worden met het heden met de bedoeling om meer vrijheid te bewerkstelligen. Daarom kent de filosofie twee temporele loci : het heden en de toekomst.

Terwijl ze bezig is met de concrete huidige situatie zoals die is, zou het doel van de filosofie moeten zijn het breken met of zich verzetten tegen het heden in het voordeel van de toekomst. We kunnen hier denken aan Friedrich Nietzsche’s uitspraak in zijn Oneigentijdse beschouwingen, dat filosofie ageert op het heden, en dus ertegen, in het voordeel van een tijd die nog komen moet. Deze taak behoort de filosofie toe omdat die zich, volgens Deleuze en Guattari, bezighoudt met de creatie van concepten. In tegenstelling tot veel andere ideeën van de filosofie moet men bij concepten niet denken aan representaties van de werkelijkheid, of gereedschappen voor het blootleggen van de waarheid. Concepten zijn hier eerder werkelijke creaties, en filosofie als de creatie van concepten maakt daar doorheen nieuwe bestaanswijzen mogelijk. Kunst en wetenschappen kunnen deze creatieve taak ook op zich nemen, maar op hun eigen denkwijze waartoe het concept niet behoort. In de context van discussies refereert Deleuze vaak naar de uitspraak van de kunstenaar Paul Klee dat het publiek voor een kunstwerk niet eerder bestaat dan het werk zelf – de mensen ontbreken, zegt hij – maar wordt erdoor tot bestaan gewekt. For Deleuze vraagt alle creatieve denken naar nieuwe mensen en een nieuwe aarde.

« … utopia is wat filosofie verbindt met zijn eigen tijd,… In elk geval is het met utopia dat filosofie politiek wordt en kritiek op zijn eigen tijd naar zijn hoogtepunt brengt. » (Deleuze Gilles, Guattari Félix, Qu’est-ce que la philosophie, p. 95, eigen vertaling)

Dit begrip van politiek heeft dus niks te maken met uitspraken over de ideale aard van ons sociaal bestaan (in tegenstelling tot veel utopische filosofieën), maar ziet politiek als de handelingen die weerstand bieden aan de normen en waarden van het heden.

Volgens Deleuze kunnen we wel niet op voorhand beweren dat bepaalde concepten noodzakelijk zullen leiden tot een betere toekomst. Terwijl we ons verzetten tegen het heden en aan een nieuwe toekomst voor onszelf werken, is er geen enkele garantie dat de wereld die we aldus bouwen vrijer zal zijn. Beslissingen kunnen we enkel nemen op het moeizame pad van praktisch, emprisch leren en van zorgzame aandacht.